Downloads Videotheek Nieuws FAQ Tandheelkundig lexicon Contact

Inheling van het implantaat - Tandimplantaten Tandvervanging Tandimplantaat

Tijdens de inhelingstijd - in de regel 8 tot 12 weken - vergroeit het bot vast met het implantaat en vormt een veilige basis voor de nieuwe tanden.

Tijdens de inhelingstijd - in de regel 8 tot 12 weken - vergroeit het bot vast met het implantaat en vormt een veilige basis voor de nieuwe tanden. De duur van de inhelingsfase verschilt van geval tot geval. Zij hangt af van de botkwaliteit en van het genezingsproces. In deze tijd krijgt de patiënt een tijdelijke tandvervanging, waarmee hij uiteraard kan eten, spreken en lachen.

Bij de inheling speelt het oppervlak van het implantaat een bijzondere rol. Er wordt onderscheid gemaakt tussen macro- en microdesign. Het macrodesign bepaalt de materiële oppervlaktestructuur van het implantaat. Het microdesign definieert de vormgeving van het implantaatoppervlak. Beide aspecten beïnvloeden de inheling (biologische stabiliteit) en zijn belangrijk voor het houvast in het kaakbot. De schroefdraad en de vorm van de implantaten zijn van belang voor de zogenoemde primaire stabiliteit (direct na het plaatsen van de implantaten). Deze mechanische stabilisatie van het tandimplantaat door de schroefdraad is voorwaarde voor de vaste verbinding en de botaanhechting tijdens de inheling (osseo-integratie).

Nieuwe implantaatoppervlakken met een bijzondere microscopische structuur moeten het inhelen van de implantaten versnellen. Zij moeten meer en gunstigere oppervlakken bieden voor de aanhechting van kaakbotsubstantie. Dit verhoogt de veiligheid voor de patiënt en maakt in individuele gevallen een eerdere belasting van de implantaten mogelijk. Dat wil zeggen: de definitieve tanden kunnen eerder op de implantaten worden bevestigd en de patiënt geniet eerder van zijn nieuwe, vastzittende tanden. In speciale gevallen kunnen implantaten ook direct van een voorziening worden voorzien.

Hoe eerder implantaten worden belast, des te groter is het risico op implantaatverlies. Alleen uw arts kan beslissen hoe lang uw implantaten moeten inhelen en wanneer zij belast kunnen worden. Een verkorte inhelingsfase verhoogt het risico op implantaatverlies. De primaire stabiliteit (mechanische stabiliteit van het implantaat bij het indraaien) en de secundaire stabiliteit (stabiliteit door aanhechting van het bot aan het implantaat) bepalen het tijdstip van belasting. Verdere criteria zijn het botaanbod en de aard van de geplande prothetische voorziening.

Kort beantwoord

Veelgestelde vragen

Osseo-integratie is het vast vergroeien van het kaakbot met het implantaat tijdens de inhelingstijd. Voorwaarde daarvoor is de primaire stabiliteit, dus het mechanische houvast dat de schroefdraad van het implantaat direct na het plaatsen geeft. De aanhechting van het bot schept de veilige basis voor de nieuwe tanden.
Het oppervlak beïnvloedt hoe het implantaat inheelt en hoe vast het in het kaakbot houdt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het macro-ontwerp, de materiële oppervlaktestructuur, en het micro-ontwerp, de fijne uitwerking van het oppervlak. Nieuwe, microscopisch gestructureerde oppervlakken moeten het inhelen versnellen.
Het tijdstip wordt bepaald door de primaire stabiliteit, dus het mechanische houvast bij het indraaien, en door de secundaire stabiliteit door de aanhechting van het bot aan het implantaat. Verdere criteria zijn het botaanbod en het soort geplande prothetische voorziening. Alleen de behandelend arts kan dat beslissen.