Implantaatvormen - implantaatsystemen - implantaattypen tandimplantaat
De tegenwoordig gebruikte implantaten hebben in de meeste gevallen de vorm van een schroef, minder vaak die van een cilinder.
Enossale implantaten
De directe verankering van het implantaat in het bot wordt osseo-integratie genoemd. Daaronder verstaat men volgens prof. Per Ingvar Branemark de directe, functionele en structurele verbinding tussen het organische, levende bot en het oppervlak van het ingeheelde, belaste implantaat. Osseo-integratie is gebonden aan een voldoende ruim en volgens de regels opgebouwd benig draagweefsel, aan het ontstekingsvrij zijn van het peri-implantaire weke weefsel en aan een adequate kaufunctionele belasting van het implantaat.
Afhankelijk van de situatie in de mond en de gekozen operatiemethode zijn er verschillende implantaatvormen en -systemen beschikbaar.
Implantaatsystemen
Implantaten voor eenfasige, transgingivale genezing: er worden eendelige implantaten geplaatst die door het slijmvlies/het tandvlees heen steken
Implantaten voor de subgingivale implantatie: voor de subgingivale implantatie worden tweedelige implantaten gebruikt. De implantaten helen in, bedekt door het slijmvlies. Na de inheling worden de implantaatkoppen in een tweede ingreep vrijgelegd. Ze worden verlengd met zogenoemde afstandshulzen die door het slijmvlies heen steken. Op de afstandshulzen volgt de prothetische voorziening.
Speciale implantaatontwerpen voor immediate en vroege implantatie
Interimimplantaten voor tijdelijk gebruik (voor een duur die beperkt is tot de inhelingstijd)
Constructieprincipe van een implantaat:
Implantaatlichaam (enossaal deel)
Opbouwdeel / afstandshuls (ook abutment of secundair deel genoemd)
Verbinding tussen het implantaatlichaam en de suprastructuur
Suprastructuur (implantaatkroon/ opbouw)
Suprastructuren op implantaten kunnen vast zijn, bijvoorbeeld solitaire kronen of bruggen, of voorwaardelijk uitneembaar worden uitgevoerd, bijvoorbeeld volledige protheses op een staaf.

Vormen en systemen
Waarom de vorm doorslaggevend is
De implantaten die tegenwoordig worden gebruikt hebben in de meeste gevallen de vorm van een schroef, minder vaak die van een cilinder. In Duitsland hebben schroefvormige implantaattypen zich doorgezet. Vorm, lengte en diameter van een implantaat variëren naargelang de geplande toepassing en de klinische situatie van de patiënt.
Het biomechanische gedrag van orale implantaten wordt bepaald door hun vorm en grootte en door de lastverdeling op de grenslaag tussen het implantaatoppervlak en het omringende botweefsel. Voor een langdurige verankering van de implantaten en een evenwichtige krachtverdeling moeten implantaten in verschillende lengtes en diameters beschikbaar zijn.
De afzonderlijke standaarddiameters van implantaten verschillen per fabrikant en liggen tussen 3,3 mm en 5 mm, de standaardlengtes zijn 8 mm, 10 mm, 12 mm, 14 mm en 15 mm. Het soort geplande tandvervanging, het botaanbod en skeletale bijzonderheden bepalen de lengte en de diameter en ook het aantal en de positionering/verdeling van de implantaten. Voor een voldoende verankeringsdiepte in het eigen kaakbot volstaan in de regel implantaten van ongeveer 10 mm tot 15 mm lang. Bij een gunstig botaanbod (botmorfologie en botdichtheid) kunnen, wanneer de indicatie dat vraagt, ook kortere implantaten worden geplaatst. In het algemeen geldt: de maximaal mogelijke implantaatlengte moet worden benut.

Uitvoeringen
Implantaatvormen
Vanwege de gunstige biomechanische eigenschappen van een schroef geeft men tegenwoordig de voorkeur aan de volgende implantaatvormen (wortelvormige implantaten).
trapvormige implantaten (als schroefimplantaat)
conische implantaten (als schroefimplantaten of als trapcilinderimplantaten)
schroefimplantaten (met zelftappende schroefdraad of met voor te snijden schroefdraad, goede primaire stabiliteit door de schroefdraad)
Nog maar zelden: cilinderimplantaten (zonder schroefdraad, primaire stabiliteit door perspassing)
Het belangrijkste in het kort
- Vanwege hun biomechanische eigenschappen worden tegenwoordig vooral wortelvormige schroefimplantaten gebruikt.
- Enossale implantaten worden via schroefdraad rechtstreeks in het kaakbot verankerd en zitten na de inheling vast.
- Bij de eenfasige genezing worden eendelige implantaten geplaatst die door het tandvlees steken.
- Bij de subgingivale implantatie worden tweedelige implantaten toegepast die gedekt inhelen en later worden vrijgelegd.
Kort beantwoord